De coronacrisis gooit heel veel roet in het eten van ontwikkelingen die heel langzaamaan het culturele verenigingsleven juist weer nieuwe impulsen ging geven. Vanuit Koornetwerk Nederland zitten we in de voorhoede van die lobby en zijn we vanuit de (amateur)koorsector sinds eind vorig jaar voor het eerst (!) in direct overleg met de minister en haar ministerie.

Toen ik zo’n vijf jaar geleden mijn blog schreef “Zingen als een voetballer” was ik verpletterd dat het bizarre getal van 1,7 miljoen samenzingende Nederlanders als resultaat van gedegen Europees onderzoek in dat jaar eigenlijk nergens opgepakt werd. Gelukkig is dat inmiddels wel veranderd. Inderdaad, 42% meer dan de voetbalsector, maar met economisch minder direct tastbaar resultaat. Net zo onzichtbaar als onze helden in de kunst. Vraag een willekeurig Nederlander 5 namen van profvoetballers te noemen, de meeste mensen komen tot een meervoud. Vraag een willekeurig Nederlander 5 namen te noemen van professionele koorzangers. Oké, drie dan? Twee? Eentje toch wel? Oef.

Natuurlijk begrijp ik heel goed dat dat komt omdat de Nederlandse koorsector zichzelf decennialang heeft laten liggen. Niet centraal georganiseerd zoals zoveel andere (amateur)sectoren -zoals voetbal- dat wel hebben gedaan. Naar de achtergrond gedrukt omdat kunst een linkse hobby zou zijn. Een luxe en geen noodzaak. Sport heeft dat imago nooit gehad, waardoor sport ook altijd wezenlijk onderdeel is gebleven van opvoeding en scholing. Maar kunst is onder de plak van primaire economische drijfveren altijd veroordeeld tot achterhoede. Ook daarbij speelt zichtbaarheid een grote rol: sport geeft veelal een direct fysiek zichtbaar resultaat, terwijl de groei door kunst vooral in onze onzichtbare hersenen afspeelt…

Dat is jammer, maar ik heb goede hoop dat deze bizarre crisis met een onzichtbare vijand die alleen maar verslagen kan worden door“social distancing” aanleiding kan geven tot nieuwe inzichten over de verbindende waarde van kunst in de maatschappij en de stimulerende werking op de hersenen van de individu.

Gezamenlijk belang uit eigenbelang
En die inzichten beginnen onder meer door je ook als professional te realiseren hoe afhankelijk je bent van omvang en draagvlak van die amateursector. Dat gezamenlijk belang ook eigenbelang is. Dat de samenhang de levensader ervan voedt. Betaald worden in een omgeving die steeds meer in stand gehouden moet worden door duizenden vrijwilligers. In een sector die voor een belangrijk deel betaald wordt door de combinatie van contributies van honderdduizenden leden en belastinggeld.

Dat lijkt heel mooi want het toont zo’n prachtig ”sociaal belang“, maar het kan uiteindelijk ook leiden tot het imago dat kunst dus niets hoeft te kosten. Maar wie wil er nog investeren in iets dat je ook met minimale budgetten kunt stimuleren om nog meer op vrijwillige basis te doen?

Kunst is mensenwerk, per definitie. En iedere ondernemer weet dat mensenwerk het grootste onderdeel vormt van de gemiddelde begroting. Maar blijkbaar niet in de kunsten. Want daar hebben we met z’n allen een imago opgebouwd dat we bereidt zijn onszelf uit te hollen. Het te organiseren is met vrijwilligers. Er onder professionals altijd wel iemand te vinden is die bereidt is onder een normale prijs te zakken, om wat voor reden dan ook. Als je draagvlak dan ook nog steeds minder in staat is om kaf van koren te scheiden, dan is het hellend vlak compleet en betaal je -ook als verplicht zzp- professional- een hoge prijs.

Maar elk nadeel heb z’n voordeel: de coronacrisis biedt een uniek nieuw dal waarin maatschappij en economie weer helemaal herzien zullen worden. Los van elkaar én in samenhang. En als we als kunstenaars van het verleden hebben geleerd, kunnen we dit unieke momentum met alle creatieve en verbindende handen aangrijpen om resultaten uit het verleden niet als garantie voor de toekomst te laten worden.

Ontbering van verbinding maakt de noodzaak tastbaar. Niet laten sloffen nu, lijkt me.